TAAL
Ooit had ik een soort schoonmoeder, die op een dag argeloos
verzuchtte: “Je eigen taal is toch een kostbaar bezit …” (of woorden van die
strekking). Als door een akelig insect gestoken - ik kijk niet op een
gemeenplaats - schoot ik in de destijds in progressieve kring voorgeschreven
reflex: “Hoe kom je daar nou in godsnaam bij? Engels is veel moderner, beter,
mooier, rijker, nauwkeuriger en wordt ook nog eens door veel meer mensen
gesproken en begrepen!” En dat ik nog maar uiterst zelden een Nederlands boek
las; en dat dat lelijke boerentaaltje van Madurodam en omstreken sowieso op
sterven na dood was; en dat ze zich diep, héél diep, moest schamen dat ze
tientallen jaren na de jongste wereldbrand nog zó fout kon zijn! Want was ik
hier niet, onvrijwillig en onverhoeds, getuige van een brutaal staaltje neo-NSB
wegbereiding voor de volgende lichting bruine horden, die immers vroeger of
later hun afzichtelijke koppen opnieuw zouden opsteken, onder het ritmisch
gestamp hunner laarzen?
Nou dan!
Of en, zo
ja, hoe wij ons meningsverschil hebben bijgelegd, weet ik eerlijk gezegd niet
meer. Ik weet niet eens of ze nog leeft. Maar soms denk ik terug aan die
zonnige zomermiddag in dat Voorburgse voortuintje en aan mijn redeloze woede,
vooral als ik lees of hoor hoe Nederlanders worstelen met al dat Engels dat nu
eenmaal ook in hun hoofd woont, en daarbij soms bijkans een hersenkwab
verzwikken. Ach, ik leef in een tijd die ik nooit wist dat zou komen ...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten